2.6 Successen

Je kunt succes hebben in jouw werk, bijvoorbeeld promotie naar een andere functie, maar ook privé, bijvoorbeeld het vervullen van een bestuursfunctie bij een vereniging of het managen van het huishouden. Noem eens drie van jouw successen.

SUCCES 1

Wat deed je? (Wát was jouw succes?)
Je bent er trots op, omdat:
Waar ben je goed in? (Vaardigheden)

SUCCES 2

Wat deed je? (Wát was jouw succes?)
Je bent er trots op, omdat:
Waar ben je goed in? (Vaardigheden)

SUCCES 3

Wat deed je? (Wát was jouw succes?)
Je bent er trots op, omdat:
Waar ben je goed in? (Vaardigheden)

Lees direct het volgende onderdeel, kwaliteiten